Vijf jaar lang was Olivier Bastin, bijgenaamd de “bMa” (bouwMeester / Maître architecte) de eerste Bouwmeester van Brussel. In december 2014 eindigde zijn  mandaat. Tijd voor een terugblik.

Arnaud Verstraete: Hoe gaat het?

Olivier Bastin: Uitstekend! Heel tevreden om terug mijn vertrouwde werk te doen in mijn vertrouwde omgeving. Heel stimulerend. En ik schep veel plezier in het werken in ploeg.

 

Arnaud Verstraete: Kon u als bouwmeester dan niet in team werken?

Olivier Bastin: Toch wel, ik vind het collectieve heel belangrijk. Ik besteed veel aandacht aan het werkproces, de dynamiek van de groep. De pow pow – techniek die indianen vroeger gebruikten heeft me bijvoorbeeld geïnspireerd om de zogenaamde “jury’s” beter te organiseren (jury’s duiden de winnaar aan van een architectuurwedstrijd, red.). Het gebeurt vaak bij zo’n bijeenkomsten dat er een sfeer van competitie ontstaat. Iedereen wil “winnen” door zijn of haar voorkeur verkozen te krijgen. Dat zorgt voor veel tijdverlies en levert zelden goede resultaten op, want dan wordt het een machtspel. De sterkste krijgt gelijk.

Ik voerde een systeem in met 2 beoordelingsrondes: iedereen moet maximum 3 favoriete projecten noemen in een eerste ronde en kort de positieve argumenten geven vóór dit project. Zonder enige discussie! Daarna mag iedereen in een tweede ronde 1 project noemen dat die persoon niet ziet zitten, met de bijhorende argumenten.

 

Arnaud Verstraete: En dat werkt?

Olivier Bastin: Jazeker! De vaststelling is dat er op die manier veel sneller een consensus groeit tussen de aanwezigen, die gebaseerd is op de sterktes van een project. De discussie verloopt aangenamer en het resultaat is beter. Dat is niet onopgemerkt voorbijgegaan overigens. Een Franse experte is ons komen volgen in Brussel en onze methode kent nu succes in Frankrijk. Toen ik dat samen met Freddy Thielemans ging toelichten in Parijs, waren de honderden toehoorders hyper-enthousiast, al had dat ook te maken met de originele vertelstijl van Freddy (lacht).

 

Arnaud Verstraete: Wat was er zo speciaal aan de tussenkomst van Freddy Thielemans?

Olivier Bastin: Terwijl alle andere verantwoordelijken daar kwamen zwaaien met om ter hoogste cijfers en prestaties, vertelde Freddy een vrolijk verhaal over “Bruxelles les bains”… hij had het over de sfeer, de knappe vrouwen, enz. Het leek een los verhaaltje en ik was zeker niet de enige die vreesde dat dit nergens heen ging… Tot hij op het einde een krachtige, grondige en doordachte conclusie formuleerde over de essentie van stadsplanning en stedenbouw. Heel zijn verhaal was slechts een illustratie van de talloze manieren waarop je daar naar kunt kijken… en dat is duidelijk zeer in de smaak gevallen.

 

Arnaud Verstraete: Dus in Frankrijk komen de specialisten leren van de Brusselse aanpak? Dat klinkt enigszins verrassend!

Olivier Bastin: Inderdaad! We zouden vaker fier mogen zijn op Brussel! De mensen zijn te vaak gefocust op wat hier niet goed werkt… maar ik vind dat er hier een speciale soort menselijke intelligentie leeft.

 

Arnaud Verstraete: Waar kunnen we nog trots op zijn in Brussel?

Olivier Bastin: Waar ik het meeste van hou is de hartelijke, solidaire sfeer die hier hangt. In mijn periode in Charleroi vond ik een vergelijkbare ambiance onder de arbeidersbevolking daar: heel open, vriendelijk en warm. Het enige verschil is dat mijn buren nu van een andere origine zijn, maar de sfeer is er niet minder om! Helemaal in het begin vond ik het niet altijd makkelijk, maar sinds vele jaren voel ik hoe sterk de diversiteit in Brussel een troef en een verrijking is. Nu ik geen bouwmeester meer ben kan ik weer meer tijd en energie vrijmaken voor het wijkcomité en dat is om die redenen een groot plezier.

 

Arnaud Verstraete: Staat Brussel ver genoeg met inspraak in stadsontwikkeling, onder meer voor de diverse bevolkingsgroepen?

Olivier Bastin: Er is nog veel werk! (lacht) Ik ben helemaal doordrongen van het belang en de meerwaarde van participatie, van samenwerking met alle betrokkenen, maar we moeten daar nog veel over leren.

Er is een duidelijke evolutie. In het begin beperkte inspraak zich vooral tot de anti-beweging. Denk aan de protesten in de jaren ’70 tegen de Manhattan-plannen in de Noordwijk. Dat is dan geëvolueerd naar een meer volledige en positieve inspraak in bijvoorbeeld de wijkcontracten, die er al zijn sinds het ontstaan van het gewest. In die periode is er echt geëxperimenteerd met verschillende “recepten”. Met wisselend succes. Vandaag treedt er een soort moeheid op. De participatie-methode is vaak niet aangepast aan de doelgroep en de situatie. Dat leidt dan vaak tot onduidelijkheid, frustratie en onbegrip. Er is een duidelijke behoefte aan kennis en meesterschap van participatie.

“In Brussel zijn er weinig politieke leiders die echt geloven in participatie en op dit vlak zitten we in een … euh moeilijke regeerperiode.”

 

Arnaud Verstraete: Wat betekent dat voor de toekomst?

Olivier Bastin: Participatiemethoden moeten heel fijn aangepast worden aan elk project. Je moet je methode bijvoorbeeld aanpassen aan elke etappe van het proces. In het begin kun je bijvoorbeeld peilen naar algemene wensen, daarna kun je werken met de meest gehoorde wensen. Op die basis maak je eerste schetsen waar mensen dan weer kunnen op reageren. In het begin gaat het zeer breed en naarmate het project vordert wordt de speelruimte steeds kleiner en uiteindelijk ontstaat er een sterke consensus.

Ook de grootte van de perimeter is van belang. ’t Is bijvoorbeeld makkelijker om een participatie te organiseren over de heraanleg van een plein dan voor bijvoorbeeld de hele kanaalzone. Je moet ook rekening houden met de doelgroepen, je moet het makkelijk en leuk maken om te komen. Ik heb heel goede herinneringen aan het wijkcontract l’Escaut. Daar legden we de deelnemers echt in de watten! Er waren uitstekende gerechten die zij kennen en graag eten, er was muntthee en taart … en het ging door op het moment dat hen het beste uitkwam, namelijk op zaterdag.

Uiteindelijk moeten alle details aangepast zijn. Denk aan de communicatie: als je een uitnodiging dropt in alle brievenbussen, bereik je veel meer mensen dan via een elektronische aankondiging per mail of zo.

 

Participatie is heel belangrijk, maar eigenlijk werkt het alleen maar als diegene die het organiseert er echt in gelooft en het echt wil. In Brussel zijn er weinig politieke leiders die echt geloven in participatie en op dit vlak zitten we in een … euh moeilijke regeerperiode (lacht).

 

Arnaud Verstraete: Bijvoorbeeld?

Olivier Bastin: Participatie wordt te vaak gezien als een verplicht nummer. De hele aanpak ademt dat dan ook uit. Daarnet illustreerde ik bijvoorbeeld hoe wij echt vertrokken vanuit de leefwereld van de doelgroep om het voor hen zo aantrekkelijk mogelijk te maken om mee te komen werken. Nadien is geprobeerd om daar voorschriften uit te halen, zoals: “zorg voor iets om te eten”. Als je een vergadering organiseert met fletse sandwiches op lastige uren, moet je niet verrast zijn dat er nauwelijks volk mee doet.

 

Arnaud Verstraete: Dus je moet er in geloven en de rest komt vanzelf?

Olivier Bastin: Neen, om een zinvolle inspraak te kunnen organiseren moet je een duidelijk idee hebben waar je naartoe wilt. Wat is de stadsvisie waaraan je wil bouwen? Er moet een referentie zijn, een kader. Anders zit je oeverloos te discussiëren. Op dit moment vind ik dit een gemis. Er wordt te vaak gegoocheld met volumes: zoveel m² woningen, zoveel m² kantoor enz… terwijl ik altijd vraag: waarom? Op welke basis? Wat is je visie voor deze zone en hoe past die in je visie op het geheel van de stad? Je moet tenslotte ook duidelijke verwachtingen hebben vooraleer je mensen gaat consulteren. De ervaring met de Josaphatsite vond ik op dat vlak wel interessant: daar is zeer gericht gezocht naar de inspraak van de betrokken actoren, waardoor een goed project is ontstaan.

 

Arnaud Verstraete: Is dat zo? Werden constructieve burgerinitiatieven zoals “Commons Josaphat” voldoende betrokken?

Olivier Bastin: De projectleiders hebben mij toch gezegd dat hun verwachtingen goed aansloten bij de doelstellingen van het project. Ik kan mijn hand daarvoor niet in het vuur steken, maar ik heb de indruk dat die mensen toch positief waren over de opties van het richtschema. Ook het project rond Reyers vind ik heel interessant. De uitdaging is nu wel om het nog uit te voeren in de juiste geest (lacht).

 

“De procedures moeten zeker aangepast worden. De momenten waarop mensen gehoord worden komen vaak veel te laat”

 

Arnaud Verstraete: Er moet dus een duidelijker visie zijn. Moet er ook iets veranderen aan de wettelijke procedures? Over het algemeen lijken die vooral “tegenspraak” te organiseren in plaats van “inspraak”.

Olivier Bastin: Ja inderdaad! Eigenlijk zou het ook meer dan inspraak moeten zijn, ik denk liever aan “samenwerking”. De procedures moeten zeker aangepast worden. De momenten waarop mensen gehoord worden komen vaak veel te laat, op het moment dat alle belangrijke keuzes reeds gemaakt zijn en niemand nog zin heeft om terug te herbeginnen. In die zin biedt het “stedenbouwkundig certificaat” wel interessante perspectieven: het kan veel vroeger in de procedure aangevraagd worden en het laat alle stakeholders toe om ten gronde opmerkingen te geven wanneer het nog niet te laat is. Op dat vlak is het project rond de hoofdzetel van Fortis – BNP Paribas een positieve ervaring: 5 maanden na de wedstrijd was er al een vergunning aanvraag dankzij deze werkwijze. Ook de “verkavelingsvergunning” en de methode van een “masterplan” zijn interessant. Die laatste laat bijvoorbeeld toe om inspraak te organiseren over de grote lijnen en principes. Dat kan vaak voldoende zijn om tot goede projecten te komen.

 

Je moet het gewoon zelf organiseren. Dat begint bij het lastenboek: je moet als overheid heldere verwachtingen formuleren over de participatie. Die moet sowieso in etappes gaan. Zoals ik al zei: ’t Is vooral in het begin dat je de mensen moet horen! Proberen te zien wat de meest gehoorde wensen zijn. Daarna komt de eerste tekening, en daar kan je dan op reageren. Zo worden variaties steeds kleiner en groeit de consensus.

 

Arnaud Verstraete: Wat is het project dat jou het meeste inspireert in Brussel?

Olivier Bastin: Het kanaal, zonder twijfel. Er zijn veel goede projecten opgestart. Kijk naar het slachthuis: daar komt een bedrijvenzone, een ecopool (Recy K, red.) en nog een school in het kader van een wijkcontract. Al deze initiatieven vormen samen een echte “eigen” ontwikkeling van de plek… (denkt na)

 

Arnaud Verstraete: Er is ook de Ninoofsepoort?

Olivier Bastin: Ja, ik ben eerlijk gezegd heel ontgoocheld dat het project van Xavier De Geyter niet doorgaat. Het is mij niet duidelijk hoe dat gebeurd is. Maar op een bepaald moment werden er advocaten bijgehaald en na 1 vergadering was het gedaan. De hele dynamiek van samenwerking tussen privé en overheid op 1 site lijkt nu definitief begraven!

Nu, de gemeente Molenbeek is dan gekomen met het voorstel om het nog anders te doen.

 

Arnaud Verstraete: Vind je het een goed plan om er een groot park van te maken, en te bouwen in de nabije omgeving?

Olivier Bastin: Je hebt zeker een goede openbare ruimte nodig. Maar je mag geen leegte laten. Als je daar alleen maar een park laat bestaan, zal dat niet werken. Zo creëer je geen verbinding tussen de twee kanten van het kanaal, wat toch de bedoeling is.

 

Arnaud Verstraete: Hartelijk dank voor het boeiende gesprek!

Olivier Bastin: Met plezier!